Wij Nederlanders zijn bedrijvige spaarders. Samen hadden we afgelopen juni alleen al op onze binnenlandse spaarrekeningen 346,7 miljard euro staan. Zoveel spaargeld was er nog nooit geplaatst bij Nederlandse banken. De rente bij Nederlandse banken is momenteel erg laag, waardoor je weinig beloond wordt voor het aanhouden van geld, maar dit mag onze spaarpret niet drukken.

Momenteel leggen particuliere huishoudens 13,6% van hun besteedbare inkomen opzij. Van 100 euro netto dat een huishouden ontvangt, spaart men dus 13,60 euro. Dat is veel: de Amerikanen hebben slechts een spaarquote van 5% en de Spanjaarden 8,9%. De vroeger veel ijverigere Italianen, ook de oprichters van de Wereldspaardag die 31 oktober weer gevierd werd, leggen sinds de eurocrisis 10,2% procent opzij. Maar het kan ook totaal anders: de Denen schuiven 19,5% van hun besteedbare inkomen apart, de Zweden 17,9%.

Wie spaart, ziet nu af van consumptie en vergroot zijn verbruiksmogelijkheden voor de toekomst. ‘Sparen heeft morele componenten’, zegt de econoom-ethicus Ulrich Thielemann. Wie spaart, die matigt. Het lukt hem om zijn behoeftes niet onmiddellijk te bevredigen. Hoe moeilijk dat is, toont de ‘Marshmallow-test’ die de neuropsycholoog Walter Mischel in de jaren 60 heeft ontwikkeld. Bij deze test kregen kinderen van vier jaar een marshmallow aangeboden en hij liet hen de keuze: eet deze nu op of laat het spekje 15 minuten liggen en dan krijg je als beloning een tweede spekje. Het resultaat was divers, net als het spaargedrag van landen: de één at het spekje onmiddellijk op, de ander hield vol en genoot even later van een dubbele portie.

Nationaal spaargedrag

Voor het individu is sparen verstandig. Hoe ziet het er uit voor landen? Op het eerste gezicht levert de economische spaarquota die de besparingen van huishoudens, ondernemingen en landen afzet tegen het nationaal product, geen eenduidig antwoord op. Zo heeft de bloeiende economie van de VS een even grote spaarquote van 18 procent als het noodlijdende land Italië. Hiermee vergeleken staan Zwitserland (31 procent) en Duitsland ( 27 procent) helemaal voorop.

Over de vraag hoeveel sparen nu goed is, twisten de economen al 250 jaar lang. De klassieke economen (Adam Smith) en de neoklassieken zeggen: sparen is goed. Hoe meer een land afziet van consumptie, hoe meer het kan investeren in fabrieken en machines en de basis kan leggen voor welvaart. Zo bepaalt de besparing de hoogte van de investeringen en het toekomstige nationale inkomen.  

Helemaal verkeerd en het moet precies andersom, zegt de econoom Johan Maynard Keynes. De boodschap van de Keynesianen: sparen is goed voor het individu, maar slecht voor de economie. Onder invloed van de economische crisis in 1929 had Keynes zijn theorie ontwikkeld. Destijds had kanselier Heinrich Brüning ondanks de crisis vastgehouden aan zijn rigide spaarkoers en het Duitse Rijk nog verder in een depressie gestort. Keynes concludeerde: een land mag in een tijd van crisis niet sparen, maar moet extra veel besteden. Wanneer de vraag van ondernemingen en huishoudens inzakt, moet de overheid inspringen en mag daarvoor ook schulden maken. Bij de volgende economische groei, aldus de theorie kunnen de schulden weer worden afgebouwd.

Overheidsingrijpen

Wie heeft er gelijk? Zoals zo vaak in de economie hangt het af van de omstandigheden. Tijdens de economische wereldcrisis van 2008 leek het de juiste beslissing dat de centrale banken de geldkraan hebben opengedraaid en de landen hun uitgaven hebben verhoogd om het wegvallen van de vraag naar investeringsgoederen te compenseren. Men heeft geleerd van de fouten die in 1929 zijn gemaakt.

Echter onder normale omstandigheden is overheidsingrijpen onnodig. De taken zijn dan duidelijk verdeeld: de huishoudens sparen, de bedrijven investeren en gaan daarvoor schulden aan – bij banken die de spaarcenten van burgers heeft ingezameld of direct van burgers, doordat zij aandelen uitgeven of hun obligaties  verkopen. Zoals bijvoorbeeld in West-Duitsland in de jaren ‘50 en ‘60. Het bedrag dat huishoudens toen spaarden, daarvoor sloten bedrijven ongeveer ook aan leningen af. De staatsbegroting was hiermee sluitend.

Spaaroverschot

Geheel anders is de situatie van nu: niet alleen Nederlandse huishoudens sparen, maar ook bedrijven en de overheid. Het gevolg is een intensieve kapitaaloverdracht naar het buitenland. De uitvoer van Nederlands kapitaal maakt sinds 2011 10 procent van de economische prestaties uit. Als reactie hierop gaan andere landen schulden aan en kopen daarvoor Nederlandse exportproducten.

Nederland wordt daarom, net als Duitsland, al jaren bekritiseerd vanwege grote overschotten op de lopende rekening. De Europese Commissie hanteert voor deze graadmeter een driejaarsgemiddelde van 6% van het bbp als bovengrens. Het IMF verwacht dat Nederland dit jaar op 10,6% van het bbp uitkomt.

De enorme overschotten zijn een potentieel gevaar voor de stabiliteit van de eurozone. Duitsland en Nederland produceren meer dan ze consumeren en zetten het verschil af in het buitenland. Daardoor leunen ze mogelijk te veel op de vraag in het buitenland.

Heiner Flassbeck, het voormalig hoofd ‘conjunctuur’ van het Deutsche Institut für Wirtschaftsforschung (Duits instituut voor economisch onderzoek) stelt ten aanzien van de relatief forse Duitse kapitaalstromen naar het buitenland dat dit mogelijk het macro-economische evenwicht verstoort. De econoom meent dat Duitsland ten koste van andere landen spaart en hij verlangt van de overheid dat het schulden maakt om een deel van de besparingen te kunnen opvangen.

Geen planeconomie

De Europese Centrale Bank (ECB) doet dit namens de hele Europese Unie met een ruim €1700 miljard groot opkoopprogramma om de groei en inflatie aan te jagen. Het gebruikt echter zelfs nóg een paardenmiddel, door negatieve rentes aan banken voor te leggen: de ECB wil banken zo prikkelen tot het financieren van bedrijven en het dwingt ze tegelijkertijd om de spaarrente te verlagen. Ondernemingen en consumenten hebben echter momenteel nog te weinig vertrouwen om investeringen te doen en houden toch de hand op de knip. 

Het beleid volstaat dan ook niet. Duitsland en Nederland vormen, net als de andere EU-landen, geen planeconomie (ook wel centraal geleide economie genoemd). De overheden kunnen bedrijven niet dwingen meer te gaan investeren en minder te gaan exporteren. In het exportoverschot komt de productiviteit van de Duitse en Nederland economie tot uitdrukking. Evenmin kan de overheid particulieren het sparen verbieden – en zou dit ook niet moeten doen.

Om in een vergrijzende maatschappij de armoede onder ouderen te voorkomen zijn particuliere voorzorgsmaatregelen absoluut noodzakelijk. Om het externe evenwicht te herstellen, moeten andere landen hun groeiomstandigheden verbeteren. Sparen is anno 2016 dan ook geen zonde.